OERKLANK


Dit artiekel over het ontstaan van de taal vond ik op het wereld wijde web. Het is door studenten van de RUG te Groningen op verschillende manieren bewerkt. Deze versie is van Alidston


Oorsprong van taal

Taal is een uiterst ingewikkeld onderwerp van studie. Dat geldt in nog sterkere mate voor taal in het verleden en zeker het ontstaan ervan. In feite is het spreken van taal niets anders dan het teweegbrengen van luchttrillingen, in de vorm van geluidsgolven, die meteen nadat ze geuit zijn spoorloos verdwijnen: ontastbaar, onzichtbaar, ongrijpbaar. Voor de uitvinding van opname-apparatuur was schriftelijke neerslag de enige manier om taal te doen beklijven. Maar ook het schrift is een verhoudingsgewijs jonge ontdekking. Waarschijnlijk waren de Soemeriers, een volk dat omstreeks 3 000 v.C. in Mesopotamie leefde, de eersten die taal optekenden. Het Soemerisch verschilde echter in geen enkel opzicht fundamenteel van de tegenwoordige talen, zodat die allereerste `taalkundige fossielen' in spijkerschrift slechts aanwijzingen bevatten voor het bestaan van taal. Ze bieden geen enkel aanknopingspunt voor het ontstaan ervan.

Alle gebruikers van taal voordien zwijgen reeds lang: hun stemmen zijn verstomd en hun woorden verstorven. Bij gebrek aan concrete overblijfselen van taal is het derhalve moeilijk te bepalen wat de oorsprong is. Toch moet die er zijn. Het lijkt immers logisch dat taal niet altijd bestaan heeft. Wanneer en hoe is taal ontstaan, sinds 2 miljard jaren geleden het leven op aarde in de vorm van eencelligen verscheen? Voor daar op in te gaan, is het nodig het begrip `taal' nader te omschrijven.



Wat is taal?

Taal kan zowel ruim als beperkt gedefinieerd worden. In uitgebreide zin staat het voor elk stelsel dat de overdracht van boodschappen tussen levende wezens regelt. Communicatie is hier het sleutelwoord. Zo beschouwd beschikt de mens over vele taalvormen, met of zonder hulpmiddelen. Zijn lichaam alleen al stelt hem in staat zich te uiten, allereerst door spraak, maar ook door gebaar, gelaatsuitdrukking, houding en dergelijke, vaak in combinatie. Gebarentaal begeleidt het spreken en doet dienst als mensen elkaar niet verstaan. In de verfijnde vorm die doofstommen gebruiken staat ze geheel op zichzelf.

Vermeldenswaard zijn ook de fluittalen, die in de Pyreneeen in zwang waren. Aanraking, of het nu een streling, een schouderklopje, een kus of een oorvijg betreft, leent zich vaak beter dan wat ook om gevoelens kenbaar te maken. Ook lichaamstaal van eenvoudige mimiek tot een kunstuiting als dans, staat de mens ter beschikking om boodschappen over te brengen. Handgeklap kan van waardering blijk geven, gefluit van afkeuring of bewondering. Taal aldus omschreven is niet aan mensen voorbehouden. Ook dieren communiceren met elkaar, elk weer op zijn eigen manier. De taal van de bijen spreekt tot de verbeelding; door te `dansen' in de lucht wisselen ze informatie uit over vindplaatsen van honing en de temperatuur in de korf. Walvisachtigen kunnen over grote afstand met elkaar communiceren door te `zingen'. Chimpansees jagen soms in georganiseerd verband op aapjes van een ander, primitiever ras; ze staan ter coordatie van de jachtpartij op zo'n onbegrijpelijke wijze met elkaar in contact, dat waarnemers zich vertwijfeld afvroegen of er telepathie in het spel was. Niet alle `dierentalen' lijken zo ingewikkeld, maar de indruk wint terrein dat hun schijnbare onbeduidendheid te wijten kan zijn aan het menselijke onvermogen ze te doorgronden. Dat kan ook vice versa werken: pogingen mensapen standaard-gebarentaal te leren hebben slechts pover resultaat.

Het is praktischer een beperkte definitie van taal te hanteren en vooral te kijken naar spraak, dat typisch menselijke vermogen tot spreken. Taal is dan het kenbaar maken van meningen en gevoelens aan anderen, door middel van een gestructureerd geheel van spraakklanken, dat tegelijkertijd correspondeert met een gedachtengang. Belangrijk is de nadruk op het samenhangend gebruik van stemklanken en de (terug)koppeling aan een gedachtenwereld.

Uitgesloten van taal wordt dan alle communicatie van dieren, ook via geluiden. Dat geldt voor alle dierlijke geluiden, zowel de reacties op pijn, honger of genot, als klanken voor de overdracht van informatie. Hier is namelijk geen sprake is van spreken en evenmin van een gedachtenwereld. Dat is eveneens het geval bij het `geecho' van praatvogels als papagaaien en parkieten. Buiten beschouwing blijven tevens andere vormen van menselijke taal dan `spraaktaal', zoals gebaren. Overigens wordt de grens enigszins vloeiend bij klanken als psst (verzoek om aandacht), sst (verzoek om stilte), au (bij pijn), brr (bij kou), mmm (bij genieting), o (bij verwondering), oef (bij opluchting), die zowel bewust als onbewust geuit worden.

Als de definitie van taal aldus wordt verengd, is ze alleen van toepassing op de mens. Velen zien hierin dan ook, samen met het verstand, een wezensonderscheid tussen het mensdom en de andere levensvormen op aarde. Het hechte verband tussen spreken en denken vindt men terug in woorden als `stom', dat zowel `spraakloos' als `dom' betekent en omgekeerd in de verwante woorden `rede' en `redenaar'.

Aangezien gesproken taal zo kenmerkend is voor de mensheid, is het logisch te kijken naar de ontwikkeling van het menselijk ras, om de oorsprong van taal op het spoor te komen. Volgens de evolutietheorie hebben levende wezens zich uit lagere levensvormen ontwikkeld door een geleidelijk proces van natuurlijke selectie, waarbij aanpassing aan de omgeving de beste kansen voor overleving bood. Het heeft miljoenen jaren geduurd voordat de huidige mens, met de wetenschappelijke naam homo sapiens sapiens, 40 000 jaar geleden verscheen. Gegeven zo'n onmetelijke tijdsdiepte is niet zonder meer te achterhalen op welk punt de mens(achtige) `spraaktaal' begon te gebruiken. Hier zijn de meest uiteenlopende mogelijkheden denkbaar. Het ene uiterste is dat de ontwikkeling van taal evenwijdig verliep met die van het geslacht homo, met een ontstaansgeschiedenis van honderdduizenden jaren. De oertaal was vast primitiever dan de taal van de moderne mens, maar kan niettemin voldaan hebben aan de definitie. Het andere uiterste is dat gesproken taal slechts een relatief jonge vinding is, waarvan de oorsprong enkele duizenden jaren in het verleden ligt. De aanvang van het spreken van taal nauwkeurig te dateren lijkt dus niet eenvoudig. Maar in ieder geval geldt dat de mens alvorens het te doen, het moest kunnen.


Het taalvermogen

De randvoorwaarden voor het gebruik van taal schuilen in bepaalde lichamelijke en geestelijke vermogens van de mens. Het vereist de aanwezigheid van spraakorganen en het besturingsmechanisme om ze te bedienen, beide ter voortbrenging van spraakklanken. Evenzeer veronderstelt het een zeker denkniveau, waarin meningen en gevoelens leven, die vervolgens in die spraakklanken kenbaar worden gemaakt. De integratie van beide vermogens stelt de mens in staat taal te spreken. Voor alle duidelijkheid zij nog opgemerkt dat dit alles niet impliceert dat mensen die door een handicap niet kunnen spreken, evenmin kunnen denken. Als gebruik van spraak door welke oorzaak of om welke reden ook onmogelijk is, schakelt de mens vanzelf over op andere wijzen van communicatie, die op zich niet minderwaardig zijn.

Bij het voortbrengen van spraakklanken zijn drie zaken nodig. Ten eerste is dat een `blaasbalg', die voor een luchtstroom zorgt. De spieren van de borstkas en het middenrif veroorzaken een verschil tussen luchtdruk in de longen en daarbuiten, waardoor lucht wordt aan- of afgevoerd tijdens het ademen. Ten tweede moet er een `stemkast' zijn, een werktuig dat de lucht in trilling brengt, zodat geluid ontstaat. Die taak vervult het strottehoofd, waarin de stembanden zijn geplaatst. Als deze `plooien' worden geopend en de lucht wordt erdoor gestuwd, komt deze in trilling en `krijgt stem'. Niet bij elke spraakklank komen de stembanden in beweging. De klank, weergegeven door de letter b, heeft bijvoorbeeld wel stem, terwijl de p stemloos is. De stembanden worden niet gebruikt bij fluisteren, dat immers vrijwel geluidloos spreken is.

Ten derde is een `klankkast' onmisbaar, wat bij de mens wel het `aanzetstuk' genoemd wordt. Hier krijgen klanken allerlei `kleuren', doordat ze op verfijnde manieren worden vervormd. Dat gebeurt in de keel-, mond- en neusholten, een resonantieruimte, waarin spraakwerktuigen als tong, lippen, huig, gehemelte en onderkaak in allerlei standen worden gebracht. Bij klinkers heeft de luchtstroom, nadat de stembanden die in trilling heeft gebracht, vrije doorgang. Maar in het geval van medeklinkers, al of niet met stem, vindt de luchtstroom een hindernis op zijn weg, zodat bijvoorbeeld een plofklank (p, b), wrijfklank (v, f, w) of sisklank (s, z) ontstaat. De spraakorganen van de mens zijn zo in staat meer dan 80 onderscheidbare klanken produceren. Maar afzonderlijke talen bedienen zich veelal van een beperkt aantal. Het Nederlands gebruikt er zo'n 35.

Het valt op dat de mens niet beschikt over een specifiek spraakorgaan. Hij lijkt veeleer te improviseren met werktuigen die in de eerste plaats voor andere doelen geschapen zijn. Het systeem om lucht te verplaatsen dient vooral voor de ademhaling. De belangrijkste taak van het strottehoofd is bij slikken het strotteklepje toe te sluiten, om te voorkomen dat voedsel of vloeistof door de luchtpijp de longen binnendringt. Vanzelfsprekend staan de stembanden wel in dienst van het produceren van geluid, maar alleen hiermee is spreken niet mogelijk. Hoogstens kunnen ze als een soort claxon benut worden. De mondholte met het daarin aanwezige instrumentarium is allereerst ingesteld op de verwerking van spijs en drank. Het is dan ook niet in deze werktuigen op zich dat de mens zich onderscheidt van andere levende wezens. De meeste zoogdieren bezitten eveneens voor spreken wezenlijke organen als longen, strottehoofd, stembanden, tong, tanden en huig.

Opmerkelijk bij de mens is evenwel de plaatsing van het strottehoofd, laag in de keel. Dat wordt in verband gebracht met zijn vermogen tot spreken. Op het eerste gezicht lijkt dat een evolutionaire misser, omdat door die lage plaats van het strottehoofd luchtwegen en voedselkanaal contact hebben. Bijgevolg kan de mens stikken in zijn voedsel. Daarentegen kunnen de meeste dieren tegelijkertijd eten en ademen. Overigens doet het zich nog niet voor bij pasgeboren baby's; het strottehoofd daalt eerst in de derde tot vijfde maand af in de keel.

De voordelen wegen echter tegen dat ene nadeel op. De lage plaatsing van het menselijke strottehoofd maakt de resonantieruimte van het aanzetstuk een stuk groter. Bovendien kan de mens aldus gemakkelijk door de mond uitademen en de luchtstroom langs de spraakwerktuigen in de mondholte sturen. De meeste zoogdieren ademen door de neus, zoals bijvoorbeeld de kat. Haar zachte verhemelte sluit de mondholte van achteren af. Het wijkt alleen om voedsel door te laten of bij miauwen, dat geschiedt door inzuigen van lucht.

Sprekend schakelt de mens echter aanhoudend over op mondademhaling, ook al leent de neus zich beter voor inhaleren: de trilharen zeven stofdeeltjes uit de lucht; de reuk geeft meteen inlichtingen over de omgeving en kan waarschuwen; en de lucht wordt beter op de juiste temperatuur en vochtigheidsgraad gebracht, doordat de weg naar de longen langer is. Een bijkomend voordeel van de positie van het strottehoofd is dat de mens onder water zijn adem kan inhouden; apen kunnen dat bijvoorbeeld niet. Als ze kopje onder gaan, zullen ze meteen water naar binnen krijgen.

Spraakorganen in goede positie alleen leiden nog niet tot het vermogen te spreken. Er is tevens een uiterst fijn mechanisme nodig om ze te besturen, zodat bij een normaal gesprek zo'n 300 klankcombinaties per minuut verwezenlijkt worden. In razendsnel tempo moeten tong, lippen, huig, onderkaak en stembanden met talrijke geintegreerde handelingen in opeenvolgende posities gebracht worden. Tegelijkertijd moet de lucht, steeds goed gedoseerd, door stem- en klankkast gestuwd worden. Het vergt een zeer nauwkeurige spierbeheersing. De zenuwprikkels die de spieren van de spraakwerktuigen tot beweging aanzetten komen uit de hersenen.

De hersenen zijn opgebouwd uit verschillende delen, elk met eigen functies. Ruwweg zijn er lagere en hogere delen te onderscheiden. Het lagere deel, dat allerlei basishandelingen regelt, is algemeen bij levende wezens. Bij dieren van hogere orde, waaronder de zoogdieren, is daar tijdens de evolutie van het leven op aarde een andere laag bijgekomen, de zogenaamde `nieuwe hersenschors'. Deze schors is bij de mens het sterkst ontwikkeld; zijn hersenen zijn daardoor erg groot in verhouding tot zijn omvang en lichaamsgewicht. Ze bestaat bovendien uit twee helften, de linker- en rechterhemisfeer, met elkaar verbonden door de `balk', een dikke bundel van zenuwvezels.

Kenmerkend voor de mens is dat de ene hersenhelft dominant is over de andere. Meestal is dat de linkerhemisfeer, met als gevolg een beter gebruik van de rechterhand, rechtervoet enzovoort. Bij linkshandigen is het net andersom. De linkerhemisfeer wordt beschouwd als de bloem van de menselijke evolutie. Hierin huist als het ware - het is verleidelijk beeldspraak uit de informatica te gebruiken - een computer, die allerlei programma's en schema's ontwerpt. In de linkerhemisfeer zetelt gewoonlijk het vermogen de spieren van de spraakorganen aan te sturen. Overigens wordt evenals bij dieren het zuiver primitieve vocaliseren, zoals krijsen van pijn, niet geregeld door de hersenschors, maar door de lagere delen.

Het is zinvol even bij de linkerhemisfeer stil te staan. Behalve voor de gespecialiseerde spreekbewegingen zorgt deze hersenhelft voor andere vormen van verfijnde motoriek. Er wordt namelijk een verband gelegd tussen spreken en de handigheid die nodig is bijvoorbeeld voor de vervaardiging van werktuigen, een andere eigenschap die uitsluitend menselijk is.

Het vermogen duidelijk gearticuleerde spraakklanken voort te brengen is op zich niet voldoende voor spreken. Tegelijkertijd moet die klanken betekenis worden toegekend, wat het grote verschil is tussen de woorden die een papagaai uit en de woorden die een mens spreekt. De nauwe relatie tussen denken en spreken is al eerder aangestipt. In feite is spreken `hardop denken'. Omgekeerd is denken `in zichzelf spreken'; tot het moment dat we gedachten in woorden gieten, uitgesproken of niet, blijven ze vaag, onsamenhangend en onduidelijk. Taal structureert het denken zowel als het spreken. De kracht en het wezen van taal is de symboliek: de klanken staan voor iets anders dan zichzelf. Diergeluiden zijn nauwelijks symbolisch. Ze zijn een natijdige of gelijktijdige reactie op wat het dier voelt of waarneemt. De klanken van de mens kunnen echter verwijzen naar een toestand die niet onmiddellijk tegenwoordig is: naar wat uit zicht (of gehoor of reukbereik) is, in het verleden of in de toekomst ligt, tot het rijk der mogelijkheden of het voorstelbare behoort. Taal begint op het moment dat het concrete niet langer een klank teweegbrengt, maar omgekeerd een klank (de gedachte aan) het concrete oproept, en daarmee het abstracte.

Dat veronderstelt het vermogen niet alleen oorzakelijke verbanden te leggen, maar ook redelijke. Het zijn relaties die er niet zijn als gevolg van de ordening van de natuur (en het instinct), maar die de menselijke wil ziet, gebaseerd op oordeel, inzicht, mening en kennis. Dat sluit aan bij bewustzijn van zichzelf, besef van de werkelijkheid en benul van meer dan het hier en nu. Het zijn alle eigenschappen die dieren nauwelijks of niet aantoonbaar bezitten. Ze zijn de voorwaarden om zich te bedienen van taal, die een pendant heeft in andere, vroege culturele verworvenheden van de mens: het gebruik van vuur, technologie voor de vervaardiging van gereedschappen, kunst in de zin van alles wat niet meer dient voor de instandhouding van de eigen soort, godsdienst en geloof in het bovennatuurlijke.


De ontwikkeling van het taalvermogen

Wanneer was de mens lichamelijk en geestelijk zo toegerust, dat hij kon spreken? De gangbare theorie stelt dat de huidige mens, homo sapiens sapiens (letterlijk `de kennende, wetende mens'), zo'n 40 000 jaar bestaat. Sindsdien was hij in ieder geval tot spreken in staat. Hij moet geevolueerd zijn uit een oudere mensvorm, de homo erectus (`de opgerichte mens'), die 800 000 jaar geleden ten tonele verscheen. Menselijke trekken had reeds diens voorloper, de australopithecus (`zuidaap'), 5 000 000 jaar terug. In de miljoenen jaren daarvoor zou zich de differentiatie tussen mensapen en aapmensen voltrokken hebben. In welk stadium de spraakorganen, het neurologisch systeem en het verstand toereikend waren voor taal, is moeilijk vast te stellen.

Skeletten uit de allervroegste prehistorie geven weinig aanwijzingen, omdat juist de zachte weefsels die met spraak te maken hebben snel vergaan. Het ligt al problematisch bij de Neandertaler. De homo sapiens neanderthalensis (100 000 jaar geleden `verschenen') wordt beschouwd als een oudere ondersoort van de moderne mens (homo sapiens sapiens), maar de onderlinge relatie is niet geheel duidelijk. Omdat beide mensvormen enkele milennia naast elkaar geleefd hebben, is het onjuist de Neandertaler als een voorloper van de hedendaagse mens te zien. Zijn verdwijning kan betekenen dat hij opgegaan is in de andere soort of uitgestorven (uitgeroeid?) is.

De Neandertaler leek in veel opzichten op zijn soortgenoot. Hij droeg kleren, gebruikte vuur, maakte werktuigen, leefde in gemeenschappen, begroef zijn doden, wat op een geloof in een leven na de dood kan duiden (bekend is de vondst van een kindergraf, waarin het lijkje in een bed van bloemen lag) en markeerde de graven met stenen, wat op een religieus ritueel kan duiden. Fysiek zag de Neandertaler er niet opzienbarend anders uit dan wij. Hij was kort en gedrongen, had een laag voorhoofd en een zware lichaamsbouw, wat hem bijzonder krachtig maakte. Toch vermoedt men dat het strottehoofd van de Neandertaler niet zo laag in de keel was geplaatst als bij de moderne mens. Dat wil niet zeggen dat hij geen gesproken taal gebruikte, maar die zal anders geweest zijn dan die van de modernere mens. Mogelijk had hij een beperkt aantal spraakklanken tot zijn beschikking, wat hij aangevuld kan hebben met een uitgekiende gebarentaal.

Op dit punt is het belangwekkend de vraag te stellen of het spreken van taal het resultaat was van evolutie of van `revolutie'. Was het wellicht een `toevallige uitvinding'? Plat gezegd: dat de mens op een gegeven moment ontdekte dat hij met bepaalde organen meer kon dan alleen ademen, eten, drinken en eenvoudige kreten slaken? Dan zou spreken niet meer zijn dan een aangeleerde vaardigheid als zwemmen, niet noodzakelijk maar wel handig. Met andere woorden, is de mens per se een talig wezen, of kan hij het ook zonder spraak stellen?

Taal is een universeel verschijnsel. Er zijn geen volken en culturen zonder de beheersing van taal uit de geschiedenis bekend. De mens lijkt voor taalverwerving geschapen. Het schijnt vanzelf tot hem te komen, ook al geldt dat hij van geboorte af aan in een talige omgeving ingebed is en tot spreken gestimuleerd wordt. Het gebrabbel van baby's lijkt reeds op een oefening van de spraakorganen. In de jonge levensjaren bezitten kinderen een fenomenaal sponsvermogen om woorden, uitspraak en de inherente grammaticaregels van een of meer talen op te nemen. Op de eerste verjaardag beheersen ze de eerste woordjes. Bij hun tweede is dat reeds 50 en met drie jaar kent de peuter reeds 1 000 woorden. De basisregels van de grammatica heeft de kleuter in het vierde levensjaar al onder de knie. Zesjarige kinderen hebben een woordenschat van tussen de 8 000 en 14 000 ontwikkeld. Gezien deze snelle ontwikkeling gaan veel taalonderzoekers, met name Noah Chomsky, ervan uit dat er een ingebouwd systeen (Universele Generatieve Grammatica) is, waarin grammatica-regels en andere principes van taal reeds `geprogrammeerd' zijn. Wat men aanleert zou dan bij wijze van spreken een fractie zijn van wat aangeboren is.

Overigens verliest de mens het vermogen gemakkelijk taal aan te leren later in zijn leven. Jammer genoeg is het met de schoolgaande leeftijd al minder geworden. Zeker voor de volwassen mens is het, naarmate hij ouder wordt, lastiger een nieuwe taal vloeiend, accentloos en foutloos te beheersen. Maar hoezeer het taalvermogen de mens ook aangeboren lijkt, een kind dat in volledige afzondering leeft, gaat niet spontaan praten. Voorbeelden van ernstig verwaarloosde kinderen of van `wolfskinderen', die verstoken van menselijke contacten in de natuur opgegroeid zijn, tonen dat het op een gegeven moment haast onmogelijk wordt hoe dan ook nog te leren spreken.

Niettemin ligt het voor de hand dat een vorm van taal reeds lang een menselijke eigenschap was, ook van voorlopers van de moderne mens. Communicatie zal zeker niet minder belangrijk zijn geweest dan het gebruik van werktuigen en vuur, wezenlijk voor overleving en instandhouding van de soort. Waarschijnlijk volgde taal niet alleen de ontwikkeling van de mens, maar stuurde die evengoed. Zodat spraak, in wisselwerking en terugkoppeling met andere verworvenheden, de menselijke evolutie mede bepaalde, doordat de natuurlijke selectie die mensachtigen begunstigde bij wie het spraakvermogen het best ontwikkeld was. Mogelijk was er geen sprake van een rechtlijnig proces, maar van een `zwenkevolutie'. Dat wil zeggen dat eigenschappen, die oorspronkelijk dienden tot een ander doel, ook en zelfs beter geschikt bleken voor spreken, zodat de tendens in die richting omgebogen werd. Zo kan het beeld van de evolutie van taal er als een `mozaiek' uitzien, waarvan de samenstellende stukjes ten slotte geintegreerd zijn.

Allereerst hebben fysiologische ontwikkelingen van de voorloper van de mens het spraakvermogen in de hand gewerkt, waarvan de belangrijkste `hand' en `stand' waren. Bleven apen in of bij bomen leven, de voorloper van de mens begaf zich tientallen miljoenen jaren op de vlakte, waar een rechtopstaande positie en tweevoetige beweging voordelig waren. Hiermee ging een herschikking van schouders, borst en hoofd en hals gepaard: van evenwijdig aan de grond naar verticale stand. De luchtpijp kwam loodrecht te staan, werd een minder buigzame buis, waardoor het strottehoofd kon dalen. De resonantieruimte in de keel werd vergroot. De gewijzigde stand van het hoofd ging vergezeld van een verandering van kaken, verhemelte en tong.

Bovendien maakte de staande positie de handen vrij, niet alleen voor het gebruik van werktuigen, maar ook voor de vervaardiging ervan (de oudste dateren van twee miljoen jaar geleden). In tegenstelling tot primaatapen had de oermens een tegenoverplaatsbare duim, die de andere vier vingers kan aanraken, wat handigheid bevorderde. Dat leidde tot voortdurend nieuwe aanspraken op de hersenen, waar zoals vermeld meestal vanuit de linkerhemisfeer ingewikkelde bewegingen van de hand en spraakorganen worden aangestuurd.

Een belangrijk gegeven is dat mens in evolutie zich om te overleven in toenemende mate richtte op cultuur, in de ruime zin van alles wat niet in of door de natuur ontstaan is, zoals werktuigen, kleding en organisatie. Dat liet de evolutie van zijn fysiek vrij in een richting die niet noodzakelijk een aanpassing aan de veranderende natuurlijke omgeving was. Bevorderlijk voor de ontwikkeling van het spraakvermogen waren bijvoorbeeld veranderingen in levenswijze. Prominent was de overgang van planteneter naar alleseter. Verschalking van grote dieren kon alleen in georganiseerd groepsverband gebeuren, waar communicatie in klank en gebaar wezenlijk was.

Werktuigen als vuistbijlen en messen waren een uitstekende vervanging voor klauwen of scherpe tanden, die de weg vrijbaande voor andere specialisaties van gebit (mondholte in het algemeen) en hand. Beheersing van het vuur (zo'n 800 000 jaar geleden) maakte een vacht overbodig, hield gevaarlijke dieren op afstand, vergrootte het menu doordat rauwe, slecht verteerbare produkten na bewerking eetbaar werden, stelde de mens in staat zich in koude klimaatsgebieden staande te houden en was een hulpmiddel bij de jacht, door in paniek gebracht wild in ravijnen of hinderlagen te jagen. Bewaking en behoud van dat kostbaar goed hing af van goede organisatie.

Grote `mozaiekstukken' in de `mozaische' ontwikkeling van gesproken taal zijn stand, behendigheid, technologie, jacht en cultuur. Ook andere zaken kunnen een rol gespeeld hebben, in een vroeg of een laat stadium. Opmerkelijk is dat de spraakorganen uiterst wezenlijke organen overlappen, namelijk die voor opneming van lucht, voedsel en drank. Dienden ze oorspronkelijk ter bescherming of beheersing van die lichaamsfuncties? Interessant is de `wateraap-theorie', overigens door weinigen onderschreven, die ervan uitgaat dat de voorloper van de mens een fase van zijn ontwikkeling in het water heeft doorgebracht. Het vrijwel ontbreken van lichaamsbeharing in vergelijking met andere landzoogdieren, de mogelijkheid onder water de adem in te houden, het instinctieve zwemvermogen van baby's, maar ook de plaatsing van het strottehoofd kunnen daarop wijzen. Eigenaardig is tevens dat de stem een sexe-onderscheidend middel is. Mannen hebben een zware stem dank zij een groot strottehoofd, met een vooruitstekende `adamsappel' (volgens de overlevering bleef een stuk van de verboden vrucht die Eva Adam gaf in diens keel steken). Heeft dat verschil in toonhoogte ooit een rol gespeeld voor de voortplanting? Zo zijn er veel meer gegevens die beschouwing verdienen.

Op het punt dat de mens taal had leren beheersen, in primitieve of ontwikkelde vorm, bezat hij in ieder geval een machtig wapen. Taal is een wezenlijk middel voor communicatie, maar even belangrijk is haar functie bij ordening en (niet het minst) behoud van kennis. Overleving hing af van verwerving van informatie: over technologie van wapens en ander gereedschap, jachttechnieken, eetbare en anderszins bruikbare planten en dieren, werking van de natuur en het verloop van de seizoenen. De mens zal veel geleerd hebben door voorbeelden, ervaring en proefondervinding. Maar kennisoverdracht van de ene op de andere generatie met gebruik van taal zal verreweg doelmatiger zijn geweest en in bepaalde gevallen de enig mogelijke manier.

Zo heeft taal gewerkt als de belangrijkste motor van de ontwikkeling van de mensheid: vastlegging van informatie uit het verleden, voortdurend aangevuld met nieuwe inzichten, ideeen, ontdekkingen en uitvindingen, een proces dat tot op de dag van vandaag voortduurt. Aanvankelijk gebeurde dat slechts door mondelinge overlevering, waarbij een groot beroep op het menselijke geheugen werd gedaan. Elke uitvinding om kennis beter te bewaren en te organiseren was een stap vooruit, van de ontdekking van het schrift tot de komst van de computer.


De ontwikkeling van taal

Er zijn vele theorieen over de oorsprong van taal. Ze hangen veelal samen met de visie die men op de mens heeft: is hij een schepsel van geheel andere orde dan de dieren, of is hij een wezen dat zijn naaste achtervolgers slechts een stapje voor is, in het licht van de immense ouderdom van het leven op aarde. Kortom, is de mens een natuurlijk of een bovennatuurlijk verschijnsel.

Vroeger waren de verklaringen vooral metafysisch van aard. Men zag taal als een goddelijke ingeving of gift, een eigenschap die meteen na de schepping bij de mens aanwezig was. De bijbel vertelt dat de eerste mens Adam onder Gods leiding de dieren benoemde en dat de verschillen tussen talen ontstonden als straf voor het hoogmoedige plan om de toren van Babel te bouwen. Dat impliceert de goddelijke beinvloeding en de erkenning van de macht van taal. Vele oorsprongsmythen van oude culturen leggen een sterk verband tussen taal en `het zien van het licht', in de zin van inzicht en kennis van de werkelijkheid.

De meeste taalonderzoekers wagen zich niet aan een speculatie over het begin van taal. Dat ligt zo ver terug in het verleden, dat iedere poging bij voorbaat zinloos lijkt. De gigantische tijdsdiepte kan verduidelijkt worden door een voorbeeld. Homo erectus kan reeds 800 000 jaar geleden begonnen zijn betekenisvolle klanken te ontwikkelen. Daarmee kunnen de 20 eeuwen die ons scheiden van de geboorte van Christus (zo'n 80 generaties) worden vergeleken. Hoewel deze 2 000 jaar al een beduidend lang tijdvak vormen, is de verhouding nog maar die van 2,5 meter op een kilometer of van 3 minuten en 36 seconden op een heel etmaal.

Desondanks zijn er verschillende theorieen ontwikkeld, vooral in de vorige eeuw. De meeste werden met hoongelach ontvangen. In 1866 verbood het Taalkundig Genootschap van Parijs zelfs verdere speculatie over dat onderwerp op zijn bijeenkomsten, ongetwijfeld om te voorkomen dat de lezingen het karakter van een klucht kregen. Een aantal van die theorieen is gerangschikt door de Deense taalgeleerde Otto Jespersen (1860-1943). Ze dragen vaak de spotnaam die door tegenstanders gegeven is (de bekendere Engelse benaming volgt de Nederlandse):

1. De `waf-waf-theorie' (bow-wow): taal is ontstaan uit de imitatie van natuurlijke geluiden. `Waf-waf' komt voort uit het gekef van een hond en zou dit beest aanduiden, zoals een `miauw-miauw' een kat enzovoort.

2. De `bah-bah-theorie' (pooh-pooh): de oorsprong ligt in instinctieve, emotionele kreten als gevolg van walging (bah!), pijn (au!) of blijdschap (joepie!).

3. De `bim-bam-theorie' (ding-dong): woorden zijn begonnen als een reactie op prikkels uit de omgeving; een bepaalde indruk gaf aanleiding tot een uiting, wat als het ware een inwendige klok deed luiden of een bel rinkelen. Het zien van een varken zou de mens bijvoorbeeld vanzelf het woord `zwijn' in de mond leggen. Deze theorie is vooral gebaseerd op de soms wonderlijke harmonie tussen klank en betekenis van een woord (bijvoorbeeld mooi, slet, kluns).

4. De `hee-hup-theorie' (yo-he-ho): de kiem van taal ligt in de ritmische geluiden die een groep mensen onwillekeurig maakt bij een gemeenschappelijke inspanning; men houdt de adem vast en laat die bij ontspanning ontsnappen, waardoor vanzelf kreunende en grommende klanken te horen zijn. Taaluitingen zijn dus geboren uit samenwerking, met verzoeken om hulp of bevelen.

5. De `la-la-theorie' (van Jespersen zelf), die taal vooral van de romantische kant benadert: ze komt voort uit geluiden die met zang, muziek, liefde en spel samenhangen. Taal was in eerste instantie niet opgebouwd uit losse primitieve klanken, maar ontstond uit een doelmatige vereenvoudiging van lange en ingewikkelde klankclusters, die eerder informatie overbrachten.

6. De `mjam-mjam-theorie' (of mondgebaartheorie): ziet taal als de uitkomst van een soort pantomime, waarbij bewegingen van het lichaam bewust of onbewust gekopieerd werden door de mond. Het eetgeluid `mjam-mjam' wordt nog steeds universeel begrepen, evenals `slurp-slurp' voor drinken.

7. De `aai-aai-theorie' (om in stijl te blijven, de betere naam is contacttheorie): taal is het gevolg van de instinctieve behoefte van de mens aan contact met medemensen en is uiteindelijk gelegen in de uiting bij aanraking, kreten bijvoorbeeld bij bronst of gevaar, roep om hulp enzovoort, waarbij de klank op den duur symbolisch werd.

8. De `Jan-Piet-Klaas-theorie' (of naamtheorie): de aanvang van taal ligt in de willekeurige klanken waarmee een bepaalde persoon werd aangeduid, en die bij uitbreiding gingen staan voor zijn karakteristieke kenmerken of eigenschappen. Het gebruik van namen ging dat van taal voor.

Bovengenoemde theorieen hebben hun verdiensten en verklaren een gedeelte van het materiaal waaruit taal bestaat. Toch bieden ze niet altijd antwoord op kernvragen: wat was de noodzaak taal aan te leren? waardoor ging men duidelijk spreken en articuleren? in welke mate droegen woorden bij om boodschappen over te brengen en bijvoorbeeld gedrag van anderen te beinvloeden? De oorsprong van taal zal per slot van rekening niet alleen in de ontdekking van een aantal woorden liggen.

Waarschijnlijk was er een hecht verband tussen de opkomst van gesproken taal en van gebarentaal. Aanvankelijk kunnen klanken gebaren ondersteund hebben, tot een moment dat de rollen omgedraaid werden. De gesticulatie en mimiek die het spreken van de hedendaagse mens vaak onbewust begeleiden en zijn woorden kracht bijzetten, zouden dan als het ware gedragingsfossielen zijn. Zowel het spraakcentrum als het motorisch centrum zetelen in de dominante hemisfeer van de hersenen. Bovendien kan de een de ander volledig vervangen, zoals doofstommen bewijzen. Dat de gesproken vorm uiteindelijk ging domineren was het gevolg van de voordelen die deze had: communicatie bleef mogelijk als beide partijen uit elkaars zicht waren, zoals in het donker of op grote afstand; de aandacht kon tegelijkertijd bij andere zaken blijven; de inspanning kost minder energie, enzovoort.


Monogenese of polygenese?

Is er ooit ‚‚n oertaal geweest, waaruit alle talen zich ontwikkeld hebben? Het zou betekenen dat het Nederlands dezelfde oorsprong heeft als het Chinees en de talen van Papoea's, Pygmeeen, Amazone-Indianen en Eskimo's, om enkele uiteenlopende voorbeelden te noemen. Het veronderstelt een `monogenese' van taal. Dat wil zeggen dat de basis reeds gelegd was toen de mensheid zich vanuit haar bakermat, die meestal in Afrika gesitueerd wordt, over de werelddelen verspreidde. Een belangrijk argument is dat taal algemeen menselijk is. Bovendien lijken alle talen op elkaar, wat betreft klanken (zoals de a) en het gebruik van woorden, woordgroepen en zinnen. Ook zijn sommige woorden, vooral die uit de kindertaal (mama), vrijwel universeel. De paleo-linguistiek, een tak van de taalwetenschap, probeert door te zoeken naar al die gemeenschappelijke kenmerken de oertaal te reconstrueren.

Daarentegen gaan aanhangers van een `polygenese' ervan uit dat taal ontstond nadat het mensdom zich in groepen had opgebroken. De verschillende stammen zouden haar elk voor zich in de loop der tijd eigen gemaakt hebben, zodat mogelijk de ene taal een geheel andere wordingsgeschiedenis kent dan de andere. Iedere groep slaagde er uiteindelijk in een taal te ontwikkelen, of het moest al zijn dat alle volken en culturen die het verzuimden uiteindelijk geen overlevingskansen hadden.

Het beeld van het ontstaan van taal in het algemeen en het Nederlands in het bijzonder, is niet volledig. Van de legpuzzel ontbreken veel stukken, die misschien nooit gevonden worden. Alles wat er voor zo'n 10 000 jaar geleden over de ontwikkeling van onze taal gezegd kan worden, onttrekt zich aan het zicht. De draad kan pas in een naar verhouding erg late tijd opgepakt worden.

oog